Ethics.be   
Herman De Dijn op Faceboook
 
Curricullum Herman De Dijn   Publicaties Herman De Dijn   Emeritaat   Contact
 
Emeritaat
Philosophy Faculty/Peking University/Beijing - HIW/Faculty Club/Leuven
Pictures of my visit (as guest lecturer, but also as vice-rector for the Human Sciences) to the Philosophy Faculty of Peking University in April 1998, and of the latest visit of Professor Zhao Dunhua and his wife to Leuven in July 2016. Professor Zhao obtained his PhD at the Institute of Philosophy KULeuven (under my supervision) and is now a renowned philosophy professor in China.

Bekijk alle foto`s


Het was een heerlijke tijd

Filosofen moeten geen bomen snoeien. Ze donderen dan naar beneden, en moeten maandenlang met krukken door het leven. Herman De Dijn zal het beamen. De zware revalidatie bedrukt zijn stemming echter niet. Hij kijkt met groot enthousiasme terug op de afgelopen jaren, en met veel energie naar wat komt.


“Ik ben 65. Misschien dat dat tegenwoordig al relatief laat is om met emeritaat te gaan, maar dat geeft ook aan dat het goed was op het HIW, het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte, waar ik heel gelukkige jaren heb gesleten.”



Toogfilosofie

“Indertijd had ik eigenlijk helemaal geen academische ambitie. Dat was gewoon iets waar ik niet aan dacht. Ik zou leraar worden, of zoiets. Pas toen mgr. Dondeyne me vroeg om ‘stagiair’ te worden bij het – toen nog – NFWO een instelling die ik niet eens kende – is de wagen beginnen rollen. Ik moest toen ook een onderwerp voor mijn doctoraat kiezen. Aanvankelijk wilde ik iets nemen dat in die tijd, eind jaren ’60, modieus was, dus iets als Heidegger of Levinas. Dondeyne vond dat daarover al genoeg gepromoveerd werd. Uiteindelijk koos ik, naïef als ik was, voor Spinoza, een heel hermetische filosoof. Zijn Ethica is geschreven naar het model van Euclides’ Elementa, wat de leesbaarheid niet meteen bevordert. Hoe dan ook, Spinoza, samen met David Hume, werden de helden in mijn wetenschappelijke loopbaan.”


“Ik ben in 1971 gepromoveerd. Wylleman, toen decaan, raadde me aan als postdoc naar het buitenland te trekken. Servotte hielp me een plaatsje te vinden in Cambridge, of all places. In 1973 was er een vacature in het nieuwe Engelstalige programma op het HIW.”


“Ik heb genoten van het klimaat op het HIW, omdat alles kon. We discussieerden, over alles en met iedereen, en we vlogen elkaar inhoudelijk in de haren – maar altijd in de beste verstandhouding. Discussiëren doen onderzoekers tegenwoordig te weinig. Vergaderen natuurlijk wel, maar dat is iets heel anders. Ik heb ontelbare uren zitten praten met Arnold Burms, mijn collega en filosofische compagnon de route, meestal in de Gambrinus, terwijl Jan Matterne twee tafels verder zijn scenario’s voor Beschuldigde, sta op maakte. Het resultaat van onze talloze gesprekken vind je in een gezamenlijk geschreven boek, een bestseller overigens, en enkele artikels. Publiceren deden we niet omdat het moest, maar omdat we over iets ernstig hadden nagedacht en het wilden meedelen, op de eerste plaats aan onze studenten en collega’s.”


“Wij reflecteerden over alles en nog wat; als filosofen waren wij zeer breed geïnteresseerd, niet louter in onze specialiteit. Herman Roelants organiseerde jarenlang echte interdisciplinaire seminaries, lang voor dat woord uitgevonden was. Dat is voor mij enorm vruchtbaar geweest.”

Het systeem

“Er is veel veranderd. Door de schaalvergroting kàn je niet meer met iedereen contact hebben. Daardoor plooien veel mensen zich terug op de eigen kleine onderzoeksgroep en het eigen kleine specialisme, zonder nog oog te hebben voor bredere vragen. Specialisatie is onvermijdelijk, maar ze is niet bevorderlijk voor de discussie over de grenzen heen, en daardoor ook niet voor de synthese. Het gevolg is dat je nu ook in de humane wetenschappen alleen nog iets durft zeggen over je hele kleine specialisme. Dat is zeker fnuikend voor de filosofie.”


“En waardoor komt dat? Er zijn heel wat oorzaken, natuurlijk, maar één daarvan is ongetwijfeld een bepaalde publicatiedruk, waarbij tijdschriftrankings, impactfactoren enzovoort de toon zetten, ook wat betreft je loopbaan, en waarin je alleen meetelt als je heel gespecialiseerd werkt. Dat systeem van beoordeling van kwaliteit veronderstelt een begrip van wetenschap waarin men door grondige specialisatie en steunend op de verworvenheden van anderen de frontier of science een ietsje doet opschuiven. Het is een complexe discussie, maar dat wetenschapsbegrip is inadequaat voor vele humane wetenschappen en zeker voor grote delen en hulpdomeinen van de filosofie. Ter gelegenheid van mijn emeritaat publiceer ik een boek, Grensovergangen. Over geesteswetenschap, universiteit en beleid (uitgegeven bij Peeters – red.) waarin ik dat soort problemen uitvoerig behandel. Ik verzet me tegen de bibliometrische obsessie die volgens mij trouwens niets met echte wetenschap te maken heeft. Het is je plicht, zeker als humane wetenschapper, de eigenheid van je discipline te verdedigen. Specifiek voor de filosofie vraag ik me af of ze haar kritische en synthetiserende taak nog zal kunnen blijven waarmaken en of ze relevant zal kunnen blijven voor de maatschappij. Dat heeft niets te maken met de kwaliteit van mijn jongere collega’s, maar wel met het klimaat en het systeem waarin zij zullen moeten werken en die niet sporen met wat filosofie volgens mij ook moet zijn. Ik ben voor dit soort zaken erg gevoelig geworden sinds ik vicerector was.”


“Ik ben van 1995 tot 2000 vicerector Humane Wetenschappen geweest. Het was voor mij een totaal nieuw soort leven. Het is hard werken aan de top, dikwijls ten koste van het privé-leven. Ik heb toen veel bijgeleerd, vooral over hoe management en politiek werken. Ik heb de beste herinneringen aan het samenwerken in ploeg, vooral met de collega’s vicerectoren van toen en ook met ‘mijn’ decanen en medewerkers. Over mijn prestaties moeten anderen maar oordelen. Na vijf jaar hield ik het voor bekeken. Als ik tijdens de rest van mijn leven nog iets in mijn vak wilde betekenen, wist ik dat ik terug moest naar het HIW. Rector Oosterlinck liet me gelukkig gaan. De jaren die daarop volgden, te beginnen met een sabbatical, waren de herontdekking van het ongelooflijke plezier van lesgeven en onderzoek.”

Traditie

“Als docent moderne filosofie wilde ik de moderne tijd begrijpen, of de moderniteit, dat wat onze tijd modern maakt. Als ik de kern van mijn eigen bijdrage zou moeten aanstippen, zou dat zijn dat ik het belang en het positieve karakter van de traditie ook in en voor de moderne tijd heb belicht. Volgens sommigen kan je niet modern zijn zonder te breken met de traditie. Traditie is dus negatief, iets dat je zo gauw mogelijk moet wegwerken. Wel, ik bestrijd dat. Er is slechts vooruitgang omdat de traditie blijft, stiekem desnoods, en omdat vooruitgang zich zelf transformeert in traditie. In allerlei disciplines, tot in de economie toe, begint men dit te ontdekken.”


“De plaats van de religie is daar een mooie illustratie van. Auteurs als Richard Dawkins stellen haast verbolgen vast dat er nog altijd religie is, en impliceren door hun toon dat het nog slechts een kwestie van tijd is voor ze onder luid applaus afgevoerd zal worden. Die visie klopt niet. Religie is een natuurlijk menselijk fenomeen met een enorm aanpassingsvermogen. Zelfs een moderne samenleving heeft er nood aan, zo zeggen tegenwoordig ook niet-gelovige menswetenschappers en filosofen, vooral omdat de politiek niet in staat blijkt uit zichzelf zin en waarden te creëren.”

Het hart

“Als filosoof van de moderne tijd zie ik het als mijn taak om erop te wijzen dat moderniteit en rationaliteit hun grenzen hebben. Ze wortelen in iets dat ze niet uit zichzelf kunnen voortbrengen. De wetenschap kan niet op zichzelf bestaan of overleven, zichzelf niet bij de haren uit het moeras trekken, zoals Baron von Münchhausen. Ze is zelf afhankelijk van ‘rare’ zaken als opvoeding, waarden, cultuur. Politiek en ethiek kunnen niet op wetenschappelijke basis worden georganiseerd. In de bio-ethiek bijvoorbeeld denken sommigen dat men op basis van strikt rationele principes en goed redeneren alle problemen kan oplossen. Maar uit dergelijke principes valt niet af te leiden waarom bijvoorbeeld het dode menselijke lichaam eerbied verdient. Toch is die eerbied voor iedereen evident, omdat ze wortelt in ‘het hart’, niet zozeer in de ratio.”


“Ook de politiek moet de grenzen van de rationaliteit erkennen. Wie aan beleid doet, gaat er gewoonlijk van uit dat je de dingen moet beheersen, controleren, sturen, om vooruitgang mogelijk te maken. Maar misschien veroorzaak je door die bijna blinde focus op vooruitgang juist àchteruitgang! We hebben daardoor immers geen oog meer voor de basis van alles, ‘de attitudes van het hart’. Dat zijn dingen die je niet zomaar kùnt manipuleren of beheersen. Neem bijvoorbeeld goed nabuurschap. Moet je die sturen, afdwingen met verordeningen? Nee, je moet natuurlijk zorgen dat het huisvuil opgehaald wordt, dat er ruimte is voor de kinderen, dat er wat bomen staan, maar verder moet je vertrouwen op de menselijke relaties. Dàt zorgt waarschijnlijk wel voor resultaat. Ik zeg ‘waarschijnlijk’, want er is geen garantie dat goed nabuurschap blijft. Sommige dingen kàn je niet controleren of beheersen.”


“En nu ben ik emeritus. Ik val niet in het bekende zwarte gat. Ik blijf een heel beperkte leeropdracht houden. Er zijn nog lezingen, ik ben nog volop aan het schrijven, en ik heb ook plannen voor nieuwe boeken. En op korte termijn, van januari tot juni volgend jaar, ga ik naar Harvard, waar ik het Erasmus Lectureship op mij neem. Wat ik daar ga doen? Een cursus over Spinoza geven, natuurlijk. Ik val heus niet stil.”


Naar aanleiding van het emeritaat van Herman De Dijn vindt op 16 en 17 oktober een colloquium plaats over Spinoza en Hume. Meer informatie: http://www.hermandedijn.be


@ Campuskrant, 24 september 2008

Terug  naar  Herman De Dijn
© 2017 - Herman De Dijn - p/a HIW, Kardinaal Mercierplein 2 - 3000 Leuven - Telefoon +32(0)16.326344 contact